Gebruik SE-kwaliteit (airpop® is de nieuwe naam voor EPS-producten)

Alle bouwelementen die door Strongbau®  geproduceerd worden zijn van SE-kwaliteit (afgeleid van Schwer Entflammbar/ Self Extinguishing). Dit betekent dat de bijdrage tot de brandvoortplanting zeer laag is. De SE componenten zorgen voor een brandveilige toepassing voor de totale levensduur van een gebouw en/of constructie. De componenten spoelen niet uit of lossen niet op in water en de werking verdwijnt niet in de loop van de tijd.

Gedrag airpop® bij brand.


Bij brand ontstaan hoge temperaturen, voor mensen zijn temperaturen boven 45 ºC onbehaaglijk. Vanaf 65 ºC kan al blijvende schade aan de longen ontstaan en bij nog hogere temperaturen kan een mens niet meer overleven.

EPS-SE begint pas te verweken vanaf 90 ºC. Dus EPS-SE begint pas te smelten als de overlevingskansen voor mensen nihil zijn. Bij ca. 450 ºC wordt de ontbrandingstemperatuur van EPS-SE bereikt. Een brand heeft bij deze temperatuur reeds zijn volle omvang bereikt.

Andere materialen, zoals hout branden in deze fase al lang (vanaf 340 ºC) of zijn reeds opgebrand.  airpop® speelt daarom slechts een geringe rol bij een brand en doet geen

afbreuk op de veiligheid van een gebouw.

Airpop® in de toepassing.

Bij de bepaling van de brandwerendheid van een constructie is niet het gedrag van de afzonderlijke materialen maar die van de totale constructie bepalend. Of anders gezegd: Bij een constructie waar een niet onbrandbaar materiaal wordt beschermd door andere materialen (bijvoorbeeld gipsplaten of een stenen muur) kan de brandwerendheid net zo groot zijn als bij een constructie waarin vermeend onbrandbaar materiaal verwerkt is. airpop®, wat overigens bij direct contact met vuur niet brandt maar wegsmelt, wordt nooit als kaal materiaal toegepast maar altijd ingebouwd in een bepaalde constructie (hetzij fabrieksmatig, zoals bij dakelementen of op de bouw, zoals bij vloer- en muurisolatie).  De Strongbau®- en Isobriq® producten voldoen daarom in hun toepassing aan de Europese regelgeving.

Emissie

Bij verbranding van constructies ontstaan diverse emissies. Vaak zijn deze ongevaarlijk, maar soms kunnen zij een gevaar vormen voor de volksgezondheid. Ook bij brand van constructies waarin isolatiemateriaal zit, ontstaan diverse emissies. Bij de verbranding van airpop® komen GEEN schadelijke emissies vrij.


Nazorg na een brand in relatie tot materiaalgebruik.

Na een brand rest de opruiming. Dit kan deels recycling zijn, maar vaak is dit niet meer aan de orde. Stort of vuilverbranding zijn dan de opties. Bij airpop® kunnen geen vezels vrijkomen. Er zijn bij het opruimen van airpop® dan ook geen beschermende kleding of andere middelen nodig.

Invloed isolatiemateriaal


Op basis van onderzoek (TNO, BDA, diverse publicaties) zijn wij van mening dat er geen verschil bestaat tussen branden in gebouwen waarin airpop® is verwerkt of een ander isolatiemateriaal. Isolatiemateriaal maakt slechts een klein deel uit van een totaal gebouw. Ook de overige constructieonderdelen dragen bij aan een brand. Met name het interieur is veelal bepalend voor de totale vuurbelasting van een gebouw. Dus de rol van isolatiemateriaal in een brand is ondergeschikt. De toepassing van kostbare en zogenaamde "onbrandbare" materialen geeft dan ook geen garantie voor een beperkte gevolgschade.

Voorbeeld vuurbelasting in MJ/m2 bij toepassing als plat dak isolatie (RD 3,5):

Zie ook het artikel "Rol van isolatiemateriaal bij brand verwaarloosbaar" uit het VB verzekeringsmagazine.

Verzekeringsaspecten

Bij sommige verzekeringsmaatschappijen bestaat de indruk dat constructies met airpop® wel branden en die met zogenaamde "onbrandbare" isolatiematerialen niet. Niets is minder waar zoals blijkt uit diverse publicaties. Constructies met zogenaamde "onbrandbare" isolatie kunnen net zo goed of slecht branden als elk ander constructie. Onderzoek door BDA en TNO in Nederland onderbouwt onze mening dat de toepassing van zogenaamd "onbrandbaar" isolatiemateriaal een brand niet voorkomt en ook de gevolgschade achteraf niet beperkt.

De rol van isolatiemateriaal bij brand wordt sterk overschat.


Het type isolatiemateriaal is namelijk niet bepalend voor de brandveiligheid van een gebouw.


Niets is immers onbrandbaar


Het is niet de vraag of iets brandt, maar bij welke temperatuur? Alles brandt namelijk, als de temperatuur maar hoog genoeg is. Minerale wol heeft een hogere ontbrandingstemperatuur dan EPS of PUR, maar ook glaswol ontbrandt rond de 700 °C, en steenwol bij 1100 °C. Bij een volledig ontwikkelde brand kunnen temperaturen oplopen tot 1200 °C.

Beoordeling van producten in hun toepassing:

In Nederland moet worden gebouwd volgens het Bouwbesluit. Hierin worden met betrekking tot de brandveiligheid geen eisen gesteld aan het isolatiemateriaal, maar worden prestatie-eisen gesteld aan bouwdelen, zoals dak, gevel of vloer. Producten moeten dus beoordeeld worden in hun toepassing als onderdeel van de constructie.


In België zij er geen voorschriften voor wat betreft particuliere woningen. Met andere woorden : je mag gewoon een woning bouwen met strobalen .... 

De prestatie van de verschillende isolatiematerialen is bij de beoordeling van bouwdelen gelijk. Het type isolatiemateriaal is dus m.b.t. tot de brandveiligheid niet belangrijk.

Brandrisico en brandschade

Het brandrisico en de omvang van de brandschade wordt niet door het isolatiemateriaal bepaald maar hoofdzakelijk door andere factoren, zoals de aanwezige vuurlast of de staalconstructie die bijvoorbeeld al na 20 minuten bezwijkt. In een gebouw maakt het isolatiemateriaal slechts een zeer klein gedeelte uit van de totale aanwezige materialen. Het is de inhoud van het gebouw die de hoogste bijdrage levert aan de vuurlast.


Concertgebouw Berlijn 20/05/08.
Brandschade : smeulbrand Minerale wol

Gamma Doetinchem 20/12/08
Isolatiemateriaal : minerale wol

Woontoren Londen 14/06/17

Isolatiemateriaal :

POLYISOCYANUTRAAT (PIR)

Onderzoek wijst uit dat de bijdrage aan de vuurlast van de diverse isolatiematerialen vrijwel gelijk is.

Onderzoek naar de brandschade bij praktijkbranden illustreert dat isoleren met zogenaamde onbrandbare isolatiematerialen niet relevant is voor brand en brandschades.


Het brandrisico en het schadeniveau worden niet beïnvloed door het toegepaste isolatiemateriaal.

*Van alle onderzochte projecten (per project kunnen meerdere materialen toegepast zijn)
Door KPMG gevalideerd overzicht praktijkbranden in Nederland (onderzoek door TNO en BDA).

Smeulgedrag

Een smeulbrand. kan ontstaan ten gevolge van lokale sterke verhitting, zoals bijvoorbeeld ten gevolge van laspitten of slijpwerk. Vaak vele uren na uitvoering van werkzaamheden leidt de langzame uitbreiding tot ontbranding van andere materialen. Smeulgedrag kan er tevens toe leiden dat een brand die gedoofd lijkt uren later opnieuw oplaait.

Smeulgedrag is een eigenschap die niet bij kunststof- isolatiematerialen, maar wel bij minerale wol optreedt. (Bron: Schwell und Glimmverhalten von Dämmstoffe, J. Novak, Universiteit Wenen, augustus 2001)

Toxiciteit


Een minder bekend fenomeen bij verbranding van isolatiematerialen, is de toxiciteit, oftewel het vrijkomen van giftige gassen. Volgens het gerenommeerde brandinstituut SP in Zweden is isocyanaat een zeer gevaarlijk gas dat bij brand door bouwmaterialen wordt geproduceerd.

Bron: SP, Zweeds nationaal test- en onderzoekinstituut


Bij minerale wol komt het meeste isocyanaat vrij. Bij PUR is dit beduidend minder. EPS produceert bij verbranding helemaal geen isocyanaat.